In opdracht van VWS heeft het Sociaal en Cultureel Planbureau een rapport opgesteld over de Informele zorg in Nederland. Het complete rapport kunt u hier downloaden.

De samenvatting kunt u onderstaand lezen:

Samenvatting en conclusie onderzoek Informele zorg in Nederland )

Bron SCP (Alice de Boer en Mirjam de Klerk) zomer 2013

 

De Tweede Kamer heeft vws gevraagd om het scp onderzoek te laten doen naar ‘de huidige stand van zaken van de informele zorg en van mantelzorgers (aard, omvang, kwaliteit en belasting) en welke functie de informele zorg zou kunnen spelen in de veranderingen van de langdurige zorg’ (tk 2012/2013b). Als eerste stap heeft het scp in deze publicatie samengevat wat op dit moment bekend is over de informele zorg in Nederland.

Informele zorg is opgevat als mantelzorg of vrijwilligerswerk in de zorg. Een van de dingen die opvalt, is dat de aard van de literatuur over mantelzorg en vrijwilligerswerk verschilt. Over mantelzorg lijkt meer wetenschappelijke literatuur beschikbaar, terwijl de literatuur over vrijwilligerswerk meer beschrijvend van aard is.

Bereidheid om voor een ander te zorgen

Veel mensen zijn bereid om iets voor een ander te doen in geval van gezondheidsproblemen, maar die bereidheid is veel kleiner als het gaat om meer intensieve of persoonlijke hulp. Bovendien is het lastig te achterhalen of de mensen die in enquêtes aangeven iets voor een ander te willen doen, dat ook werkelijk zullen doen als hun hulp nodig is. Aan de andere kant weten we ook dat mensen vaak veel verder gaan dan ze vooraf hadden gedacht: als er iemand in je nabije omgeving hulp nodig heeft dan help je, zelfs als dat lang en intensief nodig is. Wel blijken mensen het vaak ingewikkeld te vinden om om hulp te vragen of deze aan te bieden. Veel Nederlanders willen geen beroep op hun netwerk doen of denken dat anderen niet in staat zijn om hen meer hulp te bieden.

De meerderheid van de Nederlanders vindt dat de overheid een belangrijke taak heeft in de zorg voor hulpbehoevenden. Nederlanders vinden dit veel vaker dan de meeste andere Europeanen en ouderen vinden dit vaker dan jongeren. Over de vraag of het goed is dat de overheid verwacht dat mensen meer voor elkaar zorgen bij chronische ziekte of beperking, zijn de meningen verdeeld.

Mensen met beperkingen

Veel mensen met beperkingen krijgen hulp uit hun eigen sociale netwerk. Pas als er sprake is van (matige of ) ernstige beperkingen, speelt ook de formele hulp een rol.

Bij de hulp bij het huishouden en de verzorging en verpleging is vooral de formele zorg actief; mantelzorgers geven deze hulp ook, maar geven bijvoorbeeld ook veel begeleiding.

De vraag of formele zorg en mantelzorg vooral aanvullend zijn of elkaar kunnen vervangen, is niet eenvoudig te beantwoorden: soms is formele zorg een aanvulling op informele zorg, maar er zijn ook groepen waarbij sprake is van èn informele èn formele zorg.

De inschatting door hulpbehoevenden of het netwerk nog extra hulp kan geven wisselt, maar duidelijk wordt wel dat er een aanzienlijke groep is die aangeeft dat de grens is bereikt.

Mantelzorgers

Een op de vijf volwassen Nederlanders (20%) geeft meer dan drie maanden of meer dan acht uur per week hulp aan een hulpbehoevende naaste, inclusief hulp aan huisgenoten (2,6 miljoen mensen). Van hen geven 1,1 miljoen mensen zowel langdurige als intensieve hulp; deze groep is in omvang toegenomen. Veel mensen zien de hulp die zij bieden zelf niet als mantelzorg; zij geven hulp vanuit vanzelfsprekendheid en liefde. Er is ook een kleine groep bij wie de hulpverlening niet geheel vrijblijvend is; zij zorgen uit plichtsgevoel of omdat er niemand anders beschikbaar is.

Vooral vrouwen geven mantelzorg. Men veronderstelt vaak dat werkenden minder mantelzorg verlenen dan mensen die niet werken, maar een baan hebben blijkt nauwelijks van invloed te zijn. Wel zijn er mensen die tijdelijk stoppen of minder gaan werken. Een verdere verhoging van de arbeidsparticipatie zal er naar verwachting toe leiden dat mensen minder tijd over hebben voor mantelzorg of vrijwilligerswerk.

De belangrijkste reden om geen hulp te bieden terwijl je wel iemand kent die hulp nodig heeft, is dat er al hulp van anderen is. Ook reisafstand kan een reden zijn, of te veel andere verplichtingen.

Mantelzorg verlenen kan heel positief zijn en voldoening geven of tot nieuwe contacten of vaardigheden of meer geluk leiden. Echter, mantelzorg kan, vooral als deze intensief is (veel uren) of bij hulp in moeilijke situaties (bijv. bij mensen met gedragsproblemen), leiden tot overbelasting. Doordat de intensieve zorgverlening in de loop van de tijd is toegenomen nam ook het aantal mensen dat zwaar of overbelast is toe. De zorg delen kan deze belasting verminderen. Voorwaarde is dan wel dat de samenwerking tussen informele en formele helpers goed loopt en dat is volgens mantelzorgers nog niet altijd het geval. Het is veel minder duidelijk hoe professionals denken over de samenwerking en afstemming met mantelzorgers.

Vrijwilligers

De schatting hoeveel mensen actief zijn in de zorg lopen uiteen van 450.000 tot 2 miljoen.

In het eerste geval gaat het om inschattingen op basis van vrijwilligersorganisaties, in het laatste om schattingen op basis van enquêtes onder de bevolking, waarin 8 tot 15% aangeeft weleens vrijwilligerswerk te doen in de zorg. In vergelijking met andere Europese landen is de deelname aan vrijwilligerswerk in Nederland groot. Naast het traditionele vrijwilligerswerk zijn er allerlei andere vormen van vrijwilligerswerk in opkomst. Dit varieert van burgerinitiatieven en tijdelijke vrijwilligers (de flitsvrijwilliger) tot geleid vrijwilligerswerk (zoals de maatschappelijke stage). Deze nieuwe vrijwilligers willen zich steeds minder voor een langere periode binden.

Vrijwilligersorganisaties geven aan dat zij tekorten hebben, maar onduidelijk is hoe groot die precies zijn en welke gevolgen die hebben (of bepaalde taken blijven liggen).

Mensen hebben uiteenlopende redenen om zich in te zetten in het vrijwilligerswerk.Sommigen willen graag iets voor een ander doen, maar anderen zien het als een manier om mensen te ontmoeten, zichzelf te ontwikkelen of ervaring op te doen.

Anders dan bij de mantelzorg kiezen mensen er bewust voor om vrijwilligerswerk te doen. Toch blijkt ook hier dat het voor mensen soms niet gemakkelijk is om te stoppen (de ‘vrijwilligersklem’).

Mensen hebben ook uiteenlopende redenen om geen vrijwilligerswerk te doen, zoals tijdgebrek (jongere mensen) of het gevoel al genoeg te hebben gedaan (ouderen). In het algemeen werken vrijwilligers aanvullend op professionals, maar de afbakening van wat vrijwilligers kunnen doen blijkt niet altijd duidelijk.

Wettelijk zijn er weinig belemmeringen, maar in praktijk vinden organisaties het soms lastig om in te schatten wat vrijwilligers kunnen.

Hoewel harde gegevens ontbreken, lijkt het erop dat vrijwilligers steeds meer doen. De hulpvragen die op hen afkomen, lijken complexer te worden.

Het is de vraag waar de grens ligt. Een veel geciteerd voorbeeld is het douchen van de buurman (zie ook Ham en Peeters 2010). Verschillende auteurs signaleren dat er steeds hogere eisen worden gesteld aan vrijwilligers en aan vrijwilligersorganisaties.

Gemeenten hebben, met de invoering van de Wmo in 2007, een belangrijke taak gekregen in de ondersteuning van vrijwilligers(organisaties). De meeste gemeenten hebben bijvoorbeeld vrijwilligerscentrales en promoten vrijwilligerswerk.

De vraag van dit onderzoek luidde ‘Wat is er op dit moment bekend over de informele zorg in Nederland?’ Duidelijk is dat zowel over mantelzorg als over vrijwilligerswerk al veel kennis beschikbaar is. Zo weten we dat ongeveer 20% van de volwassen Nederlanders meer dan drie maanden of meer dan acht uur per week mantelzorg geeft en dat 8 tot 15% van de volwassenen (weleens) actief is in het vrijwilligerswerk in de zorg. Naast het traditionele vrijwilligerswerk zijn er allerlei nieuwe vormen van vrijwilligerswerk in opkomst. Vrouwen zijn actiever in de informele zorg dan mannen.

(Over) belasting is een thema dat vooral bij mantelzorgers speelt.

Dit onderzoek maakt ook duidelijk dat mensen het lastig vinden om grenzen te stellen.

Dit geldt zeker voor mensen die mantelzorg geven, maar ook voor degenen die vrijwilligerswerk doen en de vrijwilligersorganisaties en voor degenen die hulp nodig hebben: welke zorg wil en kan iemand (een ander laten) doen?

Mensen die hulp nodig hebben krijgen die al voor een belangrijk deel van informele zorgverleners. De overheid verwacht in de toekomst meer onderlinge steun. Onduidelijk is nog hoe groot het onbenutte potentieel aan informele zorg is, hoe er meer onderlinge steun tot stand kan komen, of mensen meer informele zorg willen ontvangen en hoe de samenwerking en afstemming tussen professionele zorg, vrijwilligerswerk en mantelzorg het beste vorm kan krijgen.